Delen     Populaire blogs     Volgende blog »
Blog maken     Inloggen
_
_
Cookies op 50plusser.nl

50plusser maakt gebruik van cookies en daarmee vergelijkbare technieken. 50plusser gebruikt functionele en analytische cookies om u een optimale bezoekerservaring te bieden. Bovendien plaatsen derde partijen tracking cookies om u gepersonaliseerde advertenties te tonen en om buiten de website van 50plusser relevante aanbiedingen van 50plusser te doen. Ook worden er tracking cookies geplaatst door social media-netwerken.
Door op Akkoord te klikken gaat u hiermee akkoord.

Akkoord


Klik hier voor meer informatie.
Hefaistos verhalen
Verhalen zeggen meer dan feiten!
_
Home__Weblog__Prikbord__Foto's__Links__Gastenboek__Zoeken__Tip__Login
_

Welkom op mijn Weblog


Frits na een vermoeiende dag in Oezbekistan.



Mijn Profiel

Hefaistos
Ik ben nu offline

• Mijn profiel
• Privé bericht sturen
• Als vriend toevoegen

Toevoegen als weblog vriend






Zoeken in Google
_



Categorieën Overzicht




Laatste Weblog artikelen



De Joodse School.
14 juli 2009 14:56

De Razzia’s.
14 juli 2009 14:50

Pulsen!
14 juli 2009 14:47




Fotoboeken


Zijderoute 1993 (9)
_
Fotoboek Oezbekistan (18)
_






Weblog Vrienden


Nog geen weblog vrienden toegevoegd.



Gastenboek berichten

Simon van Straaten
27 juli 2013 17:35
_
Ik ben op zoek naar meisjes en jongens uit de Boetonstraat uit de periode 1950- 1965 i.v.m. Een reünie op 25 september a.s. De volgende personen zijn zal bekend: Drie de vries ,Peter de Vries ,Merie de Vries, Wim de Grijter,Dick Breve,Arnold van Straaten ,Cobie van Straaten. Inmiddels weten we dat overleden zijn Joop Balsing en Klaas Kranen.De reünie wordt gehouden op het Javaplein in het Badhuis rond 12.00 uur en als je in het bezit bent van foto's neem die dan mee.mijn mailadres is giotto5@hetnet .nl

Karin zegwaard
04 april 2013 20:27
_
Beste Frits, Als oud-leerling van de Meergronden, inmiddels afgestudeerd historica en aspirant-redacteur van het tijdschrift China Nu lijkt het me leuk weer eens contact met je te hebben. Zou je me je, als je dat wil uiteraard, je contactgegevens kunnen sturen naar karinzegwaard@ gmail.com? met vriendelijke groet, Karin Zegwaard

Jan Frederik Vlietman
27 november 2010 14:41
_
Dave en Gerda Verdooner en de ouders van Dave waren 45 jaar geleden goede kennissen van ons geworden, het waren sympathieke mensen die voor een ieder klaar stonden,zij hadden op het Gelderlandplein een zeer goedlopende bakkerij,op een Zondag stond men er voor in de rij om de heerlijke gallen en gemberbolussen en gebak te kunnen kopen,ik was wekelijks een client van de Verdooners,ondanks de drukte was er altijd een momentje van Dave voor een kort gesprek,dat ging vanzelf over ons AJAX, ikhad een keer vrijkaarten voor AJAX-Fijenoord in het Olympisch stadion,ook de vrij parkeerplaats was geregeld,wij waren zo op het stadion met mijn nw.Mercedes,wij hadden genoten van de wedstrijd, en gingen naar mijn auto,en wat Jan had z'n auto- sleutels in de auto laten zitten; Shit, dacht ik




Watskeburt Op 50plusser.nl

Door roel195 om 17:03
_
Nieuw op 50plusser.nl

Door sippy om 17:02
_
Nieuwe Forum reactie geplaatst

Door francien15 om 17:01
_
Francien15 Online

Door Rosalina42 om 17:01
_
Nieuwe Forum reactie geplaatst

Door Rosalina42 om 17:00
_
Nieuwe Forum reactie geplaatst

Door barth. om 16:59
_
Barth. Online

Door Rosalina42 om 16:59
_
Nieuwe Forum reactie geplaatst

Door Nw.Geintje om 16:59
_
Nieuwe Reactie geplaatst





_

Andere artikelen



Verhalen van David Verdooner.


De familie Verdooner kort voor

David Verdooner gaf een interview op 7 februari 2008. Hij was geboren in de Transvaalbuurt, op 15 augustus 1937. Hij was getrouwd met Gerda en in het trotse bezit van een zoon en een dochter, twee schoonkinderen en vier prachtige kleinkinderen.

Zijn vader was Meijer Verdooner (geb. 15 juli 1907) een bekende bakker uit de Transvaalbuurt. Dave Verdooner is op
9 juli 2008 overleden.


VERHAAL 1 – Mijn vader de bakker, Meijer Verdooner.

Mijn vader is geboren in de oude Jodenbuurt, de Zwanenburgwal. De familie is meerdere malen verhuisd tot hij mijn moeder, Jetje de Lara, leerde kennen. Mijn moeder woonde in de jaren twintig in de Vrolikstraat, op de hoek boven het café, hoek Beukenweg.

Als klein jongetje lag mijn vader al op straat te kwijlen voor de bakkerij, vanwege de heerlijke lucht. Hij zal een jaar of zeven, acht zijn geweest toen hij voor het eerst in een bakkerij (bij Bakker Con) ging werken. Voor en na school was Meijer in de bakkerij te vinden. Hij beschouwde het werk als hobby, tot aan zijn dood heeft hij altijd van zijn werk gehouden.

Over mijn opa en oma kan ik niet veel vertellen. Opa David en oma Heintje (geboren Heintje Lap) zijn in 1943 door de Duitsers weggevoerd en vermoord in Sobibor. Er is weinig tot niets van hen achter gebleven, weinig foto’s, weinig verhalen.

Wat ik wel weet is dat mijn opa David een kleine diamantslijper was. Toen hij werkloos werd kreeg het gezin het moeilijk. Het was mijn vader, hij zal toen een jaar of 15 zijn geweest, die het gezin met zijn verdienste als bakker in leven hield.

Niet alleen in het brood verdiende hij zijn geld. Hij was ook een verdienstelijke drummer. ’s Avonds verdiende hij als drummer, ’s nachts werkte hij in de bakkerij.

Mijn vader speelde met zijn bandje op bruiloften en partijen. Hij heeft ook wel bij Heck's

gespeeld.

Nadat mijn ouders een aantal jaren waren getrouwd werd mijn vader begin jaren dertig zetbaas bij bakker Willem Pront op de Tugelaweg 70. Bakker Pront was toen ook een beroemde Joodse bakker, hij had drie zaken.

Mijn ouders zijn na een aantal jaren in het woonhuis bij de bakkerij gaan wonen.

VERHAAL 2 – Mijn vader was nooit ziek!

Mijn vader heeft zijn hele leven met zijn hele ziel en zaligheid in de bakkerij gewerkt. Hij was zelden of nooit ziek. Als hij zich niet goed voelde, als het snot bij wijze van spreken uit zijn hele lichaam kwam dan zei mijn moeder: “Meijer, maak effe een mooie etalage voor mij”. Op de Tugelaweg hadden we namelijk twee grote etalages. Dan zei hij wel eens: “maar Jetje ik ben zo ziek”. Maar mijn moeder was een gewiekste en die zei dan dat ze voor de volgende dag een mooie etalage wilde hebben. Dat was een smoes van mijn moeder want dan ging hij naar de bakkerij toe. Daar was het goed warm en hij ging er flink van zweten. Als hij dan weer boven kwam vroeg mijn moeder of hij nog ziek was.

“Hoezo ziek, ik ben nooit ziek geweest”. Mijn vader was een echte vakidioot, hij hield ontzettend van zijn vak. Hij is tot aan de oorlog altijd zetbaas geweest, bij bakker Pront. Na de oorlog is hij een eigen zaak begonnen op de Tugelaweg 80-81-82.

Toen hij zetbaas werd bij bakker Pront heeft hij zijn grote hobby en bijverdienste, het trommelen, opgegeven. Tegen zijn moeder, mijn oma, zei hij: “Moeder ik ga niet meer drummen en ik verkoop mijn drumtoestel”. Dat heeft nog wel enige discussies tussen mijn vader en moeder opgeleverd. Zij vond het namelijk wel een goed idee want dan kon ze voor zichzelf van het geld een jas kopen. Maar nee hoor, mijn vader wist dat zijn broer een jas nodig had. Dit voorval is typerend voor mijn vader. Jezelf opzij zetten om je familie gelukkig te maken.

VERHAAL 3 – De bakkerij en de oorlog.

Kort voor de oorlog was de bakkerij waar mijn vader zetbaas was een goedlopende

winkel. Wij hadden het hartstikke goed. We hadden vrij wonen en praktisch vrij eten (alles kwam praktisch uit de bakkerij) en ook nog eens 35 gulden salaris in de week. Daarnaast hoefden we ook niet voor de verwarming te betalen, mijn vader had het goed voor elkaar. Met de oorlog veranderde er vanzelfsprekend veel maar ik wil daar niet al te veel over zeggen. Mijn vader had echter wel een vooruitziende blik. Hij wist dondersgoed dat het niet goed zou aflopen. Zo heeft hij kort voordat we zelf zouden onderduiken het bakkersgereedschap ‘laten onderduiken’. Ik weet niet waar hij het naar toe heeft gebracht, ik was tenslotte nog maar vijf in 1943. Het moet in ieder geval zijn gebeurd op het moment dat wij weggingen.

Na de oorlog, toen wij weer boven water kwamen, konden we niet terug naar onze oude woning aan de Tugelaweg. Daar was namelijk een ander in gekomen. Voor alle duidelijkheid, dat was geen foute Nederlander, hij was daar geplaatst omdat zijn eigen winkel was gebombardeerd.

Ook bakker Willem Pront was er niet meer, of hij was vermoord wist men zo kort na de oorlog nog niet, dat werd later pas duidelijk.

Wel heeft mijn vader al snel de spullen uit de oude bakkerij boven water gehaald. Mijn vader kon toen wel in het andere pand van Willem Pront terecht, dat was in de Uiterwaardenstraat. Kort nadien kwam de broer van Willem Pront terug. Die was met een niet-joodse vrouw getrouwd en zij hadden dingen gedaan die niet mochten. Die wilde niet dat mijn vader bleef als zetbaas. Mijn vader moest weg, hij moest er uit.

VERHAAL 4 – Na de oorlog, een eigen winkel!

Omdat mijn vader niet meer aan de slag kon blijven als zetbaas besloot hij als zelfstandig bakker verder te gaan. Probleem was dat mijn vader geen cent te makken had. Toch heeft hij het voor elkaar gekregen, met nul komma nul eigen kapitaal. Daar heb ik dus nog steeds groot respect voor. Ik heb diezelfde eigenschap! Ook al heb je nul komma nul centen en alleen maar schulden. Gewoon je schouders eronder en er voor gaan.

Het was hard sappelen, hij is er misschien niet rijk mee geworden maar wel gelukkig. Het was keihard werken, niet zes maar zeven dagen per week.

Het pand dat mijn vader kocht was de Tugelaweg 80-81-82. Voor de oorlog was het een slagerij geweest. Na de oorlog was er van dat pand niet veel meer over. Het was helemaal gestript. Alles wat van hout was, was tijdens de late oorlogsjaren uit de leegstaande huizen gesloopt. Niet alleen de deuren, maar ook de vloer was verdwenen.

Hij heeft het herstel helemaal alleen moeten doen en bekostigen. Hij kreeg geen enkele hulp of steun van de Gemeente. Ook het materiaal van de bakkerij (dat hij had laten onderduiken in 1943) was hij kwijt. Het was ook eigenlijk van Bakker Willem Pront. De broer van Willem Pront was de erfgenaam.

Mijn vader was een echte broodbakker. Aanvankelijk kreeg hij niet het keurmerk Onder Rabbinaal Toezicht (O.R.T.). Daarom kon mijn vader ook de winkel op zaterdag open houden. Dat heeft geduurd tot ergens eind jaren vijftig. Toen was de winkel behalve een broodbakkerij ook een banketbakkerij geworden. Het keurmerk O.R.T. betekende wel dat we vanaf dat moment op zaterdag dicht waren als winkel.

VERHAAL 5 – Ome Herman Elzinga!

De bakkerij van mijn vader, Meijer Verdooner, aan de Tugelaweg was voor de oorlog de vaste koffiestop voor veel straatagenten. Dat mochten ze weliswaar niet van hun baas, maar toch. Eén van de agenten die regelmatig langs kwam was Herman Elzinga. Deze agent zou een belangrijke rol in ons leven gaan spelen. Na de oorlog werd hij mijn pleegvader. Herman Elzinga was straatagent en zat op politiebureau aan de Linnaeusstraat, aan de rand van de Transvaalbuurt. Hij woonde zelf in Betondorp, niet al te ver van het oude Ajax stadion. Als ze koffie kwamen drinken dan kwamen ze via de ingang van de bakkerij. Die ingang zat aan de achterkant van de Tugelaweg, daar had je een binnenplaats. Toen de oorlog kwam bleef Herman Elzinga langskomen, ook met andere collega’s. Dat waren niet altijd zogenaamde goede agenten. Daar zaten ook de zogenaamde “Schalkhaar Agenten” bij. Die agenten werden speciaal opgeleid in Schalkhaar door de Duitse bezetter. Zij werden ingezet om tegen de Joden gerichte maatregelen uit te voeren.

Het moet ergens in februari of maart 1943 zijn geweest dat Elzinga weer eens langs kwam om koffie te drinken. Hij vroeg toen: “Bakker, wat ga je nu doen als de Duitsers komen?”. Mijn vader zei: “Als jij weet waar ik kan onderduiken dan kan jij me daar vinden”. Mijn vader was geen struisvogel, hij had een vooruitziende blik.

Herman Elzinga vertelde dat hij in Betondorp woonde en dat hij zijn vrouw zou vragen of zij het goed vond dat ons gezin bij hen terecht kon.

Wij hebben uiteindelijk twee jaar bij het gezin van Herman Elzinga ondergedoken gezeten.

Die man is onze redding geworden en voor mij werd hij een pleegvader. Mijnheer of Agent Elzinga werd Ome Herman.

VERHAAL 6 – Het onderduikadres, de keuring!

1943 is een somber jaar geworden voor de Joodse bevolking van de Transvaalbuurt. Na dat jaar woonden er nauwelijks nog Joden. De meeste Joodse bewoners waren weggevoerd naar de concentratiekampen en daar vermoord. Slechts een enkeling kon onderduiken.

Tot die kleine groep van onderduikers behoorde ons gezin. Dankzij Ome Herman Elzinga, straatagent in de Transvaalbuurt, vonden wij een onderduikadres. Ome Herman woonde samen met zijn vrouw in Betondorp in een niet al te grote woning aan Onderlangs 70.

Hij bood ons een veilige plek aan. Hij moest het wel eerst aan zijn vrouw voorleggen. Want zo zei hij: “Mijn vrouw zit wel de hele dag met jullie opgescheept. Als mijn vrouw het goed vindt dat jullie bij ons onderduiken, dan komen we zaterdag of zondag langs om kennis te maken”.

Dat was op maandag dus je kunt het je voorstellen dat mijn ouders zeven kleuren stront scheten. Want als je zit te wachten, duren vijf dagen wel erg lang. Zo werd ons gezin dus ‘gekeurd’ door Tante Jo. Dat is gelukkig allemaal goed gekomen.

Kort voor het zover was, werd mijn moeder echter plotseling opgepakt. Ze was buiten spertijd op straat, ze wilde even naar een buurvrouw die hulp nodig had. Ze was net buiten de deur toen er een NSB’er voor haar stond.

Ze werd opgepakt en afgevoerd naar het hoofdkantoor van de SD aan de Euterpestraat (nu: Gerrit van der Veenstraat). Gelukkig voor haar en voor ons stond ze, na 2 of 3 dagen, in de goede rij. Ze mocht naar huis. Maar vanwege de zenuwen en de ischias kon ze niet meer lopen. Mijn vader is haar toen op een transportfiets gaan halen.

Mijn vader is kort daarna bij Ome Herman langs gegaan, en we zijn ondergedoken.

VERHAAL 7 – Naar het onderduikadres.

Ome Herman Elzinga had tegen mijn vader gezegd: “Als de nood aan de man is dan kan je komen met je gezin”. Ome Herman en tante Jo woonden in Betondorp, Onderlangs 70. Wij woonden in de Transvaalbuurt aan de Tugelaweg 70. Mijn moeder was voor het moment daar was al bezig met de voorbereidingen. Zo had ze al het verdiende en gespaarde geld in jassen genaaid. Veel van de spullen die ze dacht nodig te hebben had ze al ingepakt. Mijn vader had echter een deel van die spullen weer uitgepakt en daarvoor in de plaats zijn papieren, zijn diploma’s bijvoorbeeld, ingepakt.

‘s Nachts kreeg mijn vader een telefoontje van het hoofdbureau. “Verdooner, als je nog een plek nodig hebt moet je zorgen dat je weg bent voor morgen 10 uur. De Duitsers zijn klaar in het centrum en ze komen nu naar Oost.” Mijn vader heeft toen direct mijn moeder wakker gemaakt. Mijn moeder is vervolgens lopend, met een koffer onder haar arm naar Betondorp gegaan. Mijn oudere broertje, die nogal blond is, wist hoe hij moest lopen en is een half uurtje later eigen houtje naar het onderduikadres gegaan. Je kon tenslotte niet met de hele familie tegelijk vertrekken, dat zou te veel opvallen. Toen kwam het moment dat ik wegging. Mijn vader heeft mij helemaal gedragen vanaf de Tugelaweg. Ik was toen vijf jaar oud. Hij heeft mij zo gedragen dat ik over zijn jas hing en de Davidsster niet te zien was.

Aangekomen op het onderduikadres, bleek al snel dat een sommige spullen niet waren meegekomen. Wel waren er de diploma’s van mijn vader. Wat ik er nog van weet is dat hierover wel ‘is gediscussieerd’ tussen mijn ouders. Maar dankzij die papieren kon mijn vader na de oorlog direct weer aan werk komen.

VERHAAL 8 – Ons Onderduikadres

Op 10 mei 1943 ben ik met mijn broer en mijn vader en moeder ondergedoken bij Ome Herman en Tante Jo. We kwamen terecht in Betondorp, Onderlangs 70. Ons verblijf bestond uit een kamertje, op de bovenverdieping, van drie bij vier meter. We woonden daar met ons vieren. Met die ruimte hebben we het gedaan tot aan het eind van de oorlog. Eten, slapen, spelen en vooral veel zitten en niet te vergeten stil zijn. Vooral als er beneden visite was, moesten we stil zijn; we mochten dan absoluut niet lopen. ’s Zomers was dat nog niet zo erg, maar in de winter kon het er erg koud zijn. Er was geen verwarming of niks. In die kamer stond een eenpersoonsbed, daar sliepen mijn ouders. Mijn broer en ik sliepen in de gang in een eenpersoons opklapbed (kastbed). Er was op de kamer niet genoeg plaats voor twee bedden. Als mijn broer en ik gingen slapen dan lag de ene met zijn kop hier en de andere met zijn kop daar. Mijn ouders deden hun voeten in bed om warm te blijven.

Op een bepaald moment ging het bijna mis. Mijn vader had zich aangewend om heel stil te zijn, hij werd er zo bedreven in dat je niet kon horen of er een deur open of dicht ging. Op een avond echter, er was visite beneden, wilde hij het opklapbed naar beneden doen. Plotseling glipte het bed toch uit zijn handen en viel het met een knal op de vloer.

Op het moment dat het bed was gevallen schoot Ome Herman uit zijn stoel en rende naar buiten. Hij riep: “Kom gauw eens naar buiten, ze zijn aan het schieten”.

VERHAAL 9 – Onderduiken en WC gebruik.

Als je gevangen zit dan moet je gek genoeg veel piesen. Nu zaten we dan wel niet gevangen maar geheel en al vrijwillig zaten we er nu toch ook weer niet. Dat plassen is voor mannen niet zo’n heel groot probleem. Mannen doen hun piemel in een fles en huppetee. Die fles wordt dan later wel een keer geleegd. Je laat hem even staan tot de visite weg is en dan gooi je hem in de WC. Maar voor Jetje, mijn moeder, lag dat toch wat anders. Mijn moeder moest op de po en Jetje moest veel op de po. Die was dan ook gauw vol. Wat deed mijn vader dan. Die deed heel zachtjes het raam open. Dat kon hij gelukkig als de beste, heel stilletjes. Hij pakte dan de piespot en goot die dan heel voorzichtig leeg langs de klimop naar beneden. Voor mij als kind was dat best heel moeilijk allemaal. Ik was als kleine jongen gewend om buiten te spelen. Ik speelde thuis altijd op het pleintje, het hofje, achter de bakkerij. En hier zat ik van de ene op de andere dag zonder schoenen, bang als mijn ouders waren om geluid te maken. Te vaak plassen en doortrekken kon niet, dat zou te veel lawaai maken. Als je moest poepen dan mocht je wel doortrekken anders zou het gaan stinken. Of je er nu met twee of met zes mensen woont, dat is toch en groot verschil. Bedenk daarbij ook nog eens dat de buurman aan de rechterkant een foute buurman was. Ik ben in de twee jaar dat we ondergedoken hebben gezeten twee keer buiten geweest, ik had wat dat betreft mijn uiterlijk niet mee. Mijn broer wel, die is vaker op straat geweest, hij was erg blond in die tijd.

VERHAAL 10 – Controle van het onderduikadres door de gemeente.

Ik was een beweeglijk kind, ik ben nog steeds iemand die iets moet doen. Tijdens het onderduiken heb ik leren schaken. Mijn ouders hebben me leren figuurzagen op karton. Ik heb ontzettend veel gepuzzeld in die tijd, dat doe ik nog steeds graag.

In die periode van het onderduiken werden de woningen in Betondorp regelmatig gecontroleerd door de gemeente (zij waren eigenaar). Vooral in de Hongerwinter kwam de gemeente nog al eens langs. Men kwam dan controleren of de deuren nog niet waren opgestookt, er was een groot gebrek aan brandstof in die tijd. Wat doe je dan met de onderduikers als de controleurs voor de deur stonden. Gelukkig werden dit soort controles aangekondigd, we konden maatregelen treffen. Mijn moeder werd als verpleegster vermomd, ze kreeg een hoofddoekje om haar zwarte haar te verbergen. Ze werd gezien als kraamhulp, Tante Jo was net bevallen, dus dat kwam goed uit. Mijn vader zat op de WC met zijn broek op zijn enkels als de diarree hebbende buurman. Mijn broer werd de straat opgestuurd en dan maar hopen dat hij weer veilig terug kwam.

Maar ik, als jongste, was een ander geval. Ik kreeg een prop in de mond met daarom heen een doek zodat die niet uit mijn mond zou vallen. Daarna werd ik met dassen en doeken vastgebonden en op het opklapbed gelegd. Het opklapbed ging omhoog en David was verborgen. Ik moest verdwijnen want die controleur kwam ook in onze kamer kijken.

Ik zeg altijd: “Anne Frank is er niet meer, ik ben er nog wel, maar ik heb precies hetzelfde meegemaakt. Dankzij Ome Herman en Tante Jo, die met gevaar voor eigen leven ons onderdak hebben geboden, ben ik nu een gelukkige opa. Mensen zoals Ome Herman en Tante Jo, daarvan waren er toen te weinig”.

VERHAAL 11 – Werken tijdens het onderduiken.

Tijdens de oorlog heeft mijn vader zwart gewerkt bij bakkerij Ploeg. Bedenk wel dat we toen nog zaten ondergedoken. Dat was ook in de Transvaalbuurt, in de Reitzstraat op de hoek bij het Krugerplein. Je moest wat in die tijd, je moest om te overleven wel eten.

Hij ging ’s nachts naar de bakkerij om te werken. Bakker Ploeg zei bijvoorbeeld op een zeker moment: “Potverdomme Verdooner, ik heb hier tien broden die zijn veel te zwaar”.

Brood moest altijd 800 gram wegen en deze waren wel een kilo. Nou zei mijn vader: “Geef die dan maar aan mee, ik koop ze wel”. Natuurlijk mocht mijn vader eigenlijk niet over straat, hij was Joods en het was verboden om tijdens spertijd op straat te komen. Hij is toen langs de huizen geslopen met een donkere koffer om maar niet op te vallen. Hij liep achter de Oosterbegraafplaats langs, via de volkstuintjes die er toen nog waren. Dat is altijd goed gegaan. Wel heeft hij een keer zijn enkel verstuikt omdat hij zich in het donker had verstapt. Hij kwam met zijn voet in een slootje terecht. Zo is hij telkens weer heen en weer gelopen tussen de bakkerij in de Reitzstraat en ons onderduikadres Onderlangs 70.

Mijn vader had verder nog een vriendje van voor de oorlog, Maurits Kool. Die zou na de oorlog een fruitwinkeltje beginnen in Betondorp. Tijdens de oorlog was hij een zwarthandelaar. Dankzij het feit dat hij getrouwd was met een Christelijke Duitse vrouw, zelf was hij van Joodse afkomst, was hij ‘gesperrt’. Die Maurits Kool heeft gezorgd voor eten, hoewel hij niet wist waar we zaten ondergedoken. Wat je niet weet, kan je ook niet verraden.

VERHAAL 12 – Terug naar de oude woning ( mei 1945)?

Na de bevrijding wilden mijn ouders terug naar de buurt, de Transvaalbuurt. Het bleek al snel dat we niet terug konden naar de oude woning. Onze oude woning en winkel waren tijdens de oorlog toegewezen aan een ander. De persoon die in onze woning was geplaatst, was iemand van wie het oude bedrijf oorlogsschade had geleden (gebombardeerd bijvoorbeeld). Voor alle duidelijkheid moet gezegd worden dat het geen foute Nederlander of “Verwalter” was (= zaakwaarnemer, die de leiding van ondernemingen van joodse eigenaren overnam).

Gelukkig had mijn vader nog een vriendje van voor de oorlog. Dat vriendje was Evert, de melkboer die zijn winkel in de Chrstiaan de Wetstraat had. Hat zal ongeveer 10 of 11 mei zijn geweest, dat hij Evert opzocht. Hij vertelde dat we terug wilden komen in de buurt, maar dat we geen onderdak meer hadden omdat onze woning bezet was.

Evert heeft toen zijn woning aangeboden, hij maakte er toch geen gebruik van. Kort daarna kwamen mijn oom en tante terug, zij hadden Bergen Belsen overleefd. Zij zijn toen bij ons in komen wonen en zo waren we met zijn zessen.

De voorzienigheid, die van mijn vader althans, had er gelukkig wel voor gezorgd dat hij direct weer aan het werk kon. Hij kon dankzij zijn papieren uit de koffer van mijn moeder aantonen dat hij alle bakker diploma’s had, dat hij jarenlang zetbaas was geweest op de Tugelaweg enzovoort. Daarnaast had hij kort voordat we zelf zijn ondergedoken al het bakkers gereedschap van de Tugelaweg 70 laten onderduiken. Via via zijn die spullen toen naar het andere filiaal van bakker Pront (in de Uiterwaardenstraat) gebracht. We zijn toen tijdelijk in de Kribbestraat gaan wonen. Na een jaar is mijn vader de winkel aan de Tugelaweg 80-82 begonnen.

VERHAAL 13 – Van Broodbakker naar Brood- en Banketbakker.

Mijn vader, Meijer Verdooner, was een echte broodbakker. Hij heeft echter altijd ook een banketafdeling willen hebben. Daarom heeft mijn vader lang gezocht naar, en uiteindelijk ook gevonden, een echte banketbakker. Die echte banketbakker was Bennie van Volen, een Joodse banketbakker. Bennie van Volen heeft gezorgd voor de echte specifiek Joodse artikelen. Bennie van Volen was de broer van een voor de oorlog heel bekende Joodse banketbakker. Dankzij de samenwerking van mijn vader met Bennie van Volen kreeg de winkel uiteindelijk het keurmerk “Onder Rabbinaal Toezicht”. Mijn vader en Bennie vormden een paar apart. Beiden waren het echte vakmensen op het eigen vakgebied, brood respectievelijk banket. Bennie van Volen verstond zijn vak, eigenlijk meer dan dat. Bennie was een tovenaar, wat die met eenvoudige ingrediënten kon doen, grensde aan het ongelooflijke. Zo kon hij van winterpenen ontzettend lekkere ‘gember’ maken (voor de echte gemberbolussen) en van witte bonen de lekkerste ‘amandelspijs’. Je moet bedenken dat zo vlak na de oorlog er geen echte gember of amandelspijs te krijgen was. Er moest dan ook worden geïmproviseerd. Gemberpoeder was er wel te krijgen. De winterpenen werden door Bennie van Volen zo verwerkt met gemberpoeder dat de echte kenners zeiden: “Wat een heerlijke gember heb je daar bakker”. Hetzelfde verhaal gaat ook op voor de amandelspijs gemaakt van witte bonen. Eigenlijk was dus allemaal ‘namaak’, maar dan wel van zeer hoge kwaliteit. De kunstenaar Bennie heeft nooit verteld hoe hij dat voor elkaar heeft gekregen.

Van deze Bennie van Volen heb ik dus de Joodse banketbakkerij geleerd. Ik heb niet alleen veel van hem geleerd, ik heb ook zijn recepten gekregen. Recepten voor de lekkerste bolussen bijvoorbeeld. Ik heb Van Volen beloofd dat ik zijn recepten nooit aan een ander zal geven.

VERHAAL 14 – Boterkoeken.

Het bakken van boterkoek was voor de oorlog een leuke bijverdienste voor mijn vader. Voor de oorlog was hij filiaalhouder van Bakker Pront (uit de Lepelstraat) op de Tugelaweg 70. Elke vrijdag kwamen er huisvrouwen uit de buurt met de door hen zelf gemaakte boterkoeken. Praktische alle Joodse huisvrouwen klatschten (= van restjes een lekkernij maken) in die tijd iets voor de sjabbesavond. In de meeste gevallen waren dat de beroemde boterkoeken, of wat daar op leek. Je moet wel bedenken dat voor de oorlog menig huisvrouw in de Transvaalbuurt de touwtjes, letterlijk en figuurlijk, aan elkaar moest knopen. Men was soms zo arm dat men geen echte roomboter gebruikte (te duur), maar kippenvet.

Al deze baksels werden op vrijdagmorgen naar de bakkerij gebracht en mijn vader bakte ze dan in de zijn oven. Met een lange schieter werden de koeken dan in en uit de oven gedaan. Als een boterkoek te vet was dan wilde het wel eens mis gaan. Bij de minste of geringste stootje, kwam die vette hap over de rand van de vorm. Op den duur kon dat ontzettend gaan stinken.

Zo was er ook een vaste klant; Betje. Zij bracht trouw elke week haar koek. Mijn vader had een beetje haast en lette misschien niet goed op. In ieder geval kwam die koek naast de oven terecht, bovenop de kolen (steenkool voor de oven). Mijn moeder had wel een oplossing voor deze ramp. Ze maakte snel een nieuwe boterkoek, wel van roomboter, die door mijn vader werd afgebakken. Je kon niet zien dat het een andere koek was. Maar Betje wist toch dat het niet haar eigen koek was. Ze zei: “Als ik een boterkoek maak, doe ik altijd een touwtje onder in de vorm. Ik weet dan altijd of ik mijn eigen boterkoek terug krijg”.

VERHAAL 15 – De Joodse klantenkring.

Was de Transvaalbuurt voor de Tweede Wereldoorlog voor een heel groot deel Joods, na de oorlog was dit wel anders. Negentig procent van de gedeporteerde Joodse bevolking is niet meer terug gekomen. De klantenkring van onze winkel was niet alleen Joods, wel voor een groot deel. Voor de oorlog kwamen de meeste van onze klanten uit de buurt. Na de oorlog kwamen er ook veel klanten van buiten.

Zo wisten mijn ouders dat hele families uit de buurt vermoord waren. Maar het kon ook gebeuren dat er iets bijzonders plaatsvond. Zo stond mijn moeder kort na de oorlog niets vermoedend in de winkel. Plotseling hoorde ze een fluitje. Mijn moeder dacht dat ze een hartaanval kreeg. Wat was namelijk het geval. Voor de oorlog had je bij ons in de buurt een familie Stouwer wonen. Dat was wat je noemt een omvangrijk gezin, in de volksmond werd het ook wel een “vermeerderingsbedrijf” genoemd. Dat gezin had heel veel brood nodig. Maar die vrouw had dus nooit tijd. Zij was de hele dag bezig met het huishouden, met wassen en strijken en noem maar op. Als mijn moeder dan overdag, op zondag bijvoorbeeld, in de winkel stond hoorde ze een bepaald fluitje. Dan wist ze, dat is mevrouw Stouwer. Mevrouw Stouwer stond dan buiten en stak vijf vingers op. Dan wist mijn moeder dat ze alvast vijf broden apart moest leggen. Later op de dag werden die dan opgehaald. Van heel die familie is op één zoon na niemand teruggekomen. Alleen de oudste zoon had de oorlog overleefd. Die kende het fluitje van zijn moeder. Na de oorlog hoorde van een Bakker Verdooner op de Tugelaweg. Bij de winkel aangekomen floot hij net als zijn moeder voor de oorlog deed.

VERHAAL 16 – Heisa!

Mijn vader, Meijer Verdooner, was zakelijk een harde man, maar vooral een harde werker. Hij kon dan een echte doorbijter zijn. Waar hij niet tegen kon was onrechtvaardigheid. Hij hield er niet van om in de maling te worden genomen, laat staan uitgescholden. Zo was hij eens uitgescholden voor “Oude Rotjood”. Dat pikte hij dus niet! Die reactie leverde de boosdoener een kapot kunstgebit op en mijn vader een boete. Maar omdat hij het bedrag, bedoeld om de reparatie van dat kunstgebit te betalen, niet in één keer kon betalen, kreeg hij uitstel. Hij mocht in termijnen betalen. Maar ja, hij vergat wel eens een termijn. Dat betekende wel dat het kunstgebit pas gerepareerd kon worden nadat alles was voldaan. Mijn vader heeft later wel verteld dat hij nog nooit zo lang ‘plezier’ heeft gehad van een klap.

Door de drukte vergat hij wel eens wat, het was geen onwil.

Een ander voorbeeld was dat hij vergeten was dat de weegschaal uit de winkel ‘geijkt’ moest worden. Ook dat leverde weer een fikse bekeuring op. Temeer omdat hij flink tekeer ging tegen de controleur. Dat leverde later wel weer een bijzonder moment op. Een dag later namelijk was er een politiebal waar mijn ouders voor waren uitgenodigd. Daar kwamen altijd veel bekenden en mijn vader amuseerde zich kostelijk. Waar hij niet zo van hield was de polonaise. Maar ja, als je er nu toch was, moest je wel mee doen. Het was de bedoeling dat je met je linkerhand steunde op je voorganger en met je rechterhand het been van de voorganger vasthield. Je kreeg dan een hinkelende polonaise. Wat hij echter niet in de gaten had, was dat zijn voorganger de controleur van het IJkwezen was, dezelfde man die hem een dag eerder had bekeurd.



Advertentie voor de bakkerij van Meijer Verdooner.


Artikel links


Geplaatst op 13 maart 2009 11:01 en 3282 keer bekeken



Deel dit artikel via:





_
R
eacties van leden


Je reactie
Naam   Gast
Reactie   
  _
Captcha_Beveiligingsvraag

Welk dier is dit?
_





_
Gast  27 nov 2010 15:40
:grin: Vervolg van gebeurtenis,sleutels in de afgesloten auto laten
zitten, wij konde na de wedstrijd als laatste terug naar huis !
Dat heb ik jarenlang moeten horen van Dave ! Maar een goede mop deed weer wonderen ! Want gelachen hebben wij zeker ! Jan Vlietman.

Gast  14 mrt 2012 13:34
meneer is Verdooner is er niet meer,maar hij leeft voort in wat hij achter gelaten heeft, ik ben hem daar zeer dankbaar voor!
_





_
Gast  18 nov 2012 18:25
Ik ben hennie van ommen en ben geboren in de Pretoriusstraat in amsterdam oost in 1954. Mijn ouders hadden aldaar een slagerij en waren bevriend met vele joodse mensen. In die tijd kocht mijn vader vaak een gebakje(taart) bij de joodse bakker Verdooner in de buurt van de linnaeusstraat. Later hadden ze een vestiging in amstelveen.
De naam van het taartje was iets van gemberbolus. Ik ben benieuwd of dit gebakje dat geheel uit spijs bestond, nog ergens te verkrijgen is./ Misschien dat U mij hier antwoord op kan geven. In ieder geval mijn vriendelijke dank voor uw antwoord.

Gast  19 nov 2012 10:49
Dag Hennie van Ommen, bedankt voor uw reactie. Ik heb even gekeken en zie: http://www.degerrit.nl/nl/kosher-amsterdam/bakeries/
, er zijn nog koshere bakkers in Amsterdadm. Overigens weet ik dat de gemberbolus ook nog te krijgen is in het Restaurant van het Joods Historisch Museum.
Zie meer over Amsterdam-Oost via: www.geheugenvanoost.nl .
Al mijn verhalen staan onder de rubriek - Joods Verlden Amsterdadm-Oost of: http://www.geheugenvanoost.nl/68273/nl/joodse-verleden-amsterdam-oost.

met vriendelijke groet,

Frits Slicht
_





_
Gast  09 jun 2013 10:12
Wat een reuze belangrijk verhaal over het gezin van Meijer Verdooner. Ook wij hadden joodse onderduikers in ons huis een familie Mozes (oom Mau") Verdoner. En nog vele anderen. Hartelijk dank.
Coby Baltes

Gast  29 mrt 2015 14:47
leuke verhalen van mijn oude banketbakkers baas david verdooner .met veel plezier gewerkt op het gelderlandplein . harry brouwer .eemnes
_





_
Gast  05 feb 2017 16:46
Mijn naam is Bennie Bakx,
Ik woonde met mijn vrouw en twee kinderen in de Retiefstraat op 55-2.
De bakkerij kan ik mij nog goed herinneren want bijna elke zondag haalde ik daar heerlijk vers brood. Ik woon nu in Lelystad en een dergelijke bakkerij hebben we hier niet. Ik mis die tijd.
zondag 5 februari 2017.

Gast  11 apr 2018 13:35
Ook was Dave Verdooner mijn werkgever in de jaren 80 van de vorige eeuw.
Ik ben zelfs in die tijd nog getrouwd en heb bij Verdooner ook nog mijn bruidstaart gemaakt. Ik heb daar altijd met vreselijk veel plezier gewerkt en het was altijd lachen. Ik ben sinds vandaag in het bezit gekomen van het boek de bolletjes bakker en ik heb genoten. Zijn gezondheid ging in die jaren achteruit maar hij was er altijd.
_